Hoor­klö­ver in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔː͡ɐˌkløːy̯·vɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hoor·klö·ver
Plural: Hoor­klö­vers m de Hoor­klö­ver
[1]
perifere woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Wees doch nich son ollen Hoorklöver!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hoor + klöven + -er