Ie­ver in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈiː·vɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ie·ver
Niet gebruikt het pluralis m de Ie­ver
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
dat achter wat herwesen
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Wut