ie­ve­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈiː·və·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ie·ve·rig
ieveriger ieverigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Iever + -ig