Ge­klöön in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌkløˑy̯n/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·klöön
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­klöön
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + klönen + -