Wa­kel­köst in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɔː·kəlˌkœst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wa·kel·köst
Plural: Wa­kel­kös­ten f de Wa­kel­köst

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: waken + Köst