E­ten in het Nedersaksisch

n dat E­ten
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
Essen
Examples:
[1] Wannehr gifft dat Eten?
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
Essen
Examples:
[1] Dat Eten smeckt echt lecker, hest allerbest kaakt!