mie­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmiː·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: mie·rig
mieriger mierigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
moraalsch slecht (von en Person)
Duits:
Examples:
He hett en ganz mierigen Charakter.
[3]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Mier + -ig