rü­mig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɾyː·mɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: rü·mig
rumiger rumigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Dat Huus hett en rümige Stuuv.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ruum + -ig