Saat­la­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɔːtˌlɔːkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Saat·la·ken
Plural: Saat­la­kens n dat Saat­la­ken
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Saat + Laken