hatt­freetsch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhatˌfɾɛːtʃ/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: hatt·freetsch
hartfreetscher hartfreetschst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: hatt + freetsch