Korf­ma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɔ͡ɐfˌmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Korf·ma·ker
Plural: Korf­ma­kers m de Korf­ma­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Person, de Körv herstellt
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Korf + Maker