Aal­supp in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɔːlˌsʊp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Aal·supp
Pluralis: Aalsuppen f de Aal­supp
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
In Hamborg is de Aalsupp begäng.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Aal + Supp