Pol­ka­hoor in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔl·kaˌhɔː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pol·ka·hoor
Plural: Pol­ka­hoor n dat Pol­ka­hoor
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Polka + Hoor