Stoffwulk in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɔfˌvʊlk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stoff·wulk
Plural: Stoffwul­ken f de Stoffwulk
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Stoff + Wulk