Op­per­wall in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔ·pɐˌval/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Op·per·wall
Niet gebruikt het pluralis m de Op­per­wall
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: op + Wall