Tam­pon in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtam·pon/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tam·pon
Plural: Tam­pons m de Tam­pon
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Middel, üm dat Bloot von de Menstruation optofangen
Nederlands:
Engels:
Duits: