A­ver­sti­cht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔː·vɐˌstɪçt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: A·ver·sticht
Niet gebruikt het pluralis n dat A­ver­sti­cht
[1]
perifere woordenschat
is een eigennaam
Nedersaksisch:
Deel von’t Sticht Utrecht
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: aver + Sticht