Stipp­grütt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɪpˌɡɾʏt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stipp·grütt
Niet gebruikt het pluralis f de Stipp­grütt

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: stippen + Grütt