Ad­del­kuhl in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·dəlˌkuːl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ad·del·kuhl
Plural: Ad­del­kuh­len f de Ad­del­kuhl
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Addel + Kuhl