Kel­ler­lock in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɛ·lɐˌlɔk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kel·ler·lock
Plural: Kel­ler­lö­cker n dat Kel­ler­lock
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Keller + Lock