Stipp­licht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɪpˌlɪçt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stipp·licht
Plural: Stipp­lich­ten n dat Stipp­licht
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: stippen + Licht