Schoh­böst in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɔu̯ˌbœst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schoh·böst
Plural: Schoh­bös­ten f de Schoh­böst

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schoh + Böst