smud­de­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈsmʊ·də·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: smud·de·lig
smuddeliger smuddeligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Wat hebbt wi vondaag för smuddelig Wedder!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Wat süht diene Büx smuddelig ut!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: smuddeln + -ig