lö­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈløː·zɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: lö·sig
lösiger lösigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig