pe­pe­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɛː·pə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: pe·pe·rig
peperiger peperigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
figuratiev
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
Dat sünd hier aver peperige Priesen!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Peper + -ig