Arm­band­klock in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa͡ɐmˌbant·klɔk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Arm·band·klock
Plural: Arm­band­klo­cken f de Arm­band­klock
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Armband + Klock