Gös­sel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡœ·səl/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gös·sel
Plural: Gös­sels n dat Gös­sel
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Fir0002, CC-BY-SA-3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits: