Buur­laad in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbuː͡ɐˌlɔːˑ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Buur·laad
Plural: Buur­la­den f de Buur­laad
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Buur + Laad