Un­ner­laag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʊ·nɐˌlɔːˑ·ç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Un·ner·laag
Plural: Un­ner­la­gen f de Un­ner­laag
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
wat, wat unner wat leggt warrn kann
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: unner + Laag