Be­naut­heit in het Nedersaksisch

Uitspraak: /bəˈnaʊ̯t·haɪ̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Be·naut·heit
Niet gebruikt het pluralis f de Be­naut­heit
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: benaut + -heit