mäch­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɛç·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: mäch·tig
machtiger machtigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
as Adverb to en Adjektiv
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Dat is ja en mächtig groten Keerl.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Macht + -ig