all­mäch­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈalˌmɛç·tɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: all·mäch·tig
allmachtiger allmachtigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
figuratief
Nedersaksisch:
Duits:
Voorbeelden:
Dat weer en allmächtigen Heekt, den he fungen hett.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: all + mächtig