Ach­termuursteen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈax·tɐˌmuː͡ɐ·stɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ach·ter·muur·steen
Plural: Ach­termuursteen m de Ach­termuursteen
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Soort Muursteen, de so verboot warrt, de se later nich to sehn is

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: achter + Muursteen