Stie­kel­swien in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈstiː·kəlˌsviːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stie·kel·swien
Pluralis: Stiekelswien n dat Stie­kel­swien
[1]
perifere woordenschat
biologische species
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Stiekelswien maakt Winterslaap.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: stiekeln + Swien