a­ba­sig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ɔːˈbɔː·zɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: a·ba·sig
abasiger abasigst
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
perifere woordenschat
Voorbeelden:
He weer en abasig groten Keerl.

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig