Ge­tü­del in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ɡɛˈtyː·dəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·tü·del
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­tü­del
[1]
geavanceerde woordenschat
Voorbeelden:
Dien Getüdel mag ok nüms mehr hören!
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + tüdeln