A­sch­kas­ten in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈaʃˌkastn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Asch·kas·ten
Plural: A­sch­kas­tens m de A­sch­kas­ten
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Asch + Kasten