A­ven­krück in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɔːm̩ˌkɾʏk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: A·ven·krück
Pluralis: Avenkrücken f de A­ven­krück
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Aven + Krück