scheel in het Nedersaksisch

scheler scheelst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
scheel
Duits:
scheel
Examples:
[1] Den Keerl sien Ogen sünd so scheel.
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
scheef
Duits: