kie­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkiː·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: kie·lig
kieliger kieligst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:
=
keilig

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Kiel + -ig