Krü­zung in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɾyː·t͡sʊnk/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Krü·zung
Plural: Krü­zun­gen f de Krü­zung
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Kreuzung

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Krüüz + -ung