Op­roop in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɔpˈɾɔu̯p/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Op·roop
Plural: Op­rööp m de Op­roop
Plural: Op­ro­pen m de Op­roop
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: op + Roop