Mund­smack in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmʊntˌsmak/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mund·smack
m de Mund­smack
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
wat, wat besünners för’n Smackssinn is
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Mund + Smack