un­ehr­lich in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʊnˌɛː͡ɐ·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: un·ehr·lich
uneihrelicher uneihrelichst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Antoniemen:
ehrlich

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + ehrlich