Se­pen­wa­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɛːpm̩ˌvɔː·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Se·pen·wa·ter
n dat Se­pen­wa­ter
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
sop
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Seep + Water