Veh­tüüg in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɛːˌtyːç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Veh·tüüg
Niet gebruikt het pluralis n dat Veh­tüüg
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
vee
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Veh + Tüüg