Mai­seb­ber in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈmaɪ̯ˌzɛ·bɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mai·seb·ber
Pluralis: Maisebbers m de Mai­seb­ber
[1]
geavanceerde woordenschat
biologische species
Nedersaksisch:
Krabbeldeert, dat vör allen in Mai rutkummt
Nederlands:
Engels:
Duits:
Synoniemen:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Mai + Sebber