Fi­scher­nett in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɪ·ʃɐˌnɛt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fi·scher·nett
Plural: Fi­scher­net­ten n dat Fi­scher­nett
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Examples:
De Fischer smitt dat Fischernett ut.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Fischer + Nett