Op­wand in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɔp·vant/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Op·wand
Plural: Op­wänn m de Op­wand
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: op