Brand­scha­den in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɾantˌʃɔːdn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Brand·scha·den
m de Brand­scha­den
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Brand + Schaden